• info@cgderots.nl
  • Diekhuus, Middelharnis
Decor
Vier vormen van vermoeidheid

Vier vormen van vermoeidheid

Dit decor sluit aan op de preek van Ruben Visser (21 februari)

Gal. 6 vers 8: Laten wij niet moede worden het goede te doen want te zijner tijd zullen wij oogsten.
Het onderstaande verhaal gebruikt Ruben hiervoor in zijn preek.
Het is geschreven door de schrijver Tolkien toen hij bang was zijn levenswerk (in de ban van de ring) nooit af te zullen krijgen.
Klein was een schilder. Een perfectionist, die nooit tevreden was en vaak verzandde in allerlei details, net als Tolkien. Nu moest Klein een lange reis gaan ondernemen waar hij bepaald geen zin in had en die hij zolang mogelijk uit wilde stellen al wist hij dat hij er niet aan kon ontkomen. Een lange, onontkoombare reis staat in de angelsaksiche literatuur voor de dood en dat was ook precies waar Tolkien tegenop zag.
Nu was Klein begonnen aan een enorm project. Hij wilde een prachtige boom schilderen met daarachter in zijn verbeelding een uitgestrekt landschap. Klein wist dat hij die lange reis moest gaan maken maar hij had zich ten doel gesteld tenminste dit schilderij af te maken. Het zou prachtig worden maar hij kwam nauwelijks verder. In de eerste plaats omdat hij zoveel oog had voor details. Hij besteedde zeeën van tijd aan één enkel blad. Hij streefde naar een perfecte lichtval en een perfecte schittering van de dauwdruppels op dat blad. In de tweede plaats was er zijn lastige buurman die weinig waardering kon opbrengen voor het schilderwerk van Klein maar wel steeds kwam vragen om zijn hulp voor allerlei klusjes. En Klein stond altijd voor zijn buurman klaar. Al met al stond er nog maar weinig op het reusachtige doek dat hij had opgesteld. Maar het onvermijdelijke moment komt als plotseling de koetsier voor de deur van Kleins huisje staat om hem mee te nemen op de lange reis: “O hemeltje” zei Klein, die verdrietig begon te huilen, “en het is nog niet eens af!” De tijd was op.
Nadat Klein op reis is gegaan vindt iemand, die Kleins huis heeft gekocht, het geschilderde blad. Het is alles wat af is maar men is het erover eens dat dit blad een plaatsje verdient in het stedelijk museum, ergens waar het overigens nauwelijks wordt opgemerkt in een nisje om uiteindelijk samen met het museum tijdens een grote brand, in rook op te gaan.
Maar het verhaal is nog niet afgelopen. Tijdens zijn reis, na zijn dood, hoort Klein twee stemmen. De eerst is van Gerechtigheid, een strenge stem: “Klein heeft veel van zijn tijd verspild en hij heeft maar weinig bereikt in zijn leven.” Maar de tweede stem, een vriendelijkere stem, die van Genade werpt tegen dat Klein zich bewust heeft opgeofferd voor anderen en daarom een beloning verdient. En als Klein in een van de buitenwijken van het hemelse land komt dan ziet hij iets ongelofelijks. De Boom, zijn Boom, volgroeit, met bladeren die zich ontvouwden, takken die groeiden en bogen in de wind die Klein zo vaak had gevoeld of vermoed, en zo vaak niet had kunnen vastleggen. Hij staarde naar de Boom en langzaam hief hij zijn armen op “Het is een geschenk” zei hij.
In zijn eigen wereld was men Klein al bijna vergeten en zijn onvoltooide werk was van weinig betekenis geweest. Maar in het Nieuwe Land, de blijvende, de echte, de eeuwige Wereld ontdekte hij dat zijn boom niet met hem was gestorven maar in vol detail was uitgegroeid.